Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wijten. Toen meneer De Jingo hem dit onder het oog bracht, brak er bij meneer Karper een storm van verontwaardiging los. Ik zal hier niet herhalen, welke uitdrukkingen hij bezigde. Ook wil ik niet uitduiden, welk een gezicht meneer Karper had toen hij, met een vloek op de lippen, de deur van het kantoor achter zich dicht smeet, maar zal mij enkel bepalen tot de opmerking, dat onder de massa menschen van allerlei slag, waarmee ik in mijn leven heb verkeerd, ik bedoel waarmee ik, hetzij ambtshalve of particulier, in aanraking ben gekomen, nu, laat ik zeggen, die ik toevallig op mijn weg heb ontmoet, ik nooit zulk een onhandelbaar persoon mocht aantreffen als dezen man. Hij heeft — ik bedoel meneer Karper — veel van de achting verloren, die ik bij zijn eerste optreden hem toedroeg. Mijnheer de directeur, ik heb gezegd.

Het was een verpletterende getuigenis tegen den beklaagde, vooral het slot, de verbeuring van Verkerker's achting, geldt als een schot uit een Creusot-kanon, afdoende en vernietigend. Als de heer Verkerker had moeten recht doen over een zijner voormalige gevangenen, wegens vergrijp aan orde en tucht, in het huis waar vele woonplaatsen zijn, met verwijzing van den boef naar de cel, hij had geen krachtiger vonnis kunnen vellen. De inkleeding van zijn getuigenis voor iemand, dien men onwraakbare noties kan toedichten van alles wat met rechtspleging in verband staat, raakte alleen den persoon van den verdachte en gleed volkomen langs het zakelijk deel: het feit. Vooral de uitbeelding van Jan Karper's gezicht achter de deur, was aller-kostelijkst omschreven, indien de voorzitter hem deswege hadde geïnterpelleerd. Maar dit allernoodzakelijkst, om niet te zeggen integreerend deel van gerechtelijk onderzoek, lag niet op Pieter Hengelaar's weg noch in diens bedoeling, waar hij alleen opeenstapeling voor had van aantijgingen,

Sluiten