Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijn persoon, resumeerde hij de afgelegde verklaringen, en kwam tot de logische conclusie, dat andermaal de aangeklaagde, in casu Jan Karper, geen verdediger hebbende gekozen, dezen te moeten vragen, wat hij tegen de beschulgingen, van zeer bezwarenden aard, had in te brengen.

Ieder ander dan de tot het uiterste getergde employé, met redenaarsgave toegerust, zou in een lang gerekt pleidooi hebben getracht de hem ten laste gelegde abnormiteiten te ontzenuwen. Jan Karper, de vierschaar overziende, vergenoegde zich met te zeggen:

— Mijnheer de directeur en gewaardeerde collega's! Tegen de bierkaai valt niet te vechten. In eene corporatie waar te voren het vonnis opgemaakt en beteekend, waar macht gaat boven recht, de feiten opzettelijk worden verzwegen en 0111 de waarachtige feiten wordt heen gedraaid met beschuldigingen en subjectieve meeningen, die niets hebben uittestaan met het wezen der zaak, daar is verdediging eenvoudig een onding. Als ieder uwer de hand in eigen boezem steekt, zich afvraagt: Wat is het doel met het spel dat wij spelen? En als u dan de waarheid onder de oogen durft te zien, zooals ik die in uw gezichten lees, dan moeten voorzitter en getuigen eenparig het „niet schuldig" over mij uitspreken. Tegen de bierkaai valt niet te vechten. Ik heb gezegd.

— Meneer Karper, u is zeer impertinent! —sprak de voorzitter.

— Tegen een berg van impertinenties in Ik kan het u niet tegenspreken.

— U ziet, dat u zich tamelijk wel onmogelijk hebt gemaakt.

— Dat was ik reeds den 31 December 1896, daags vóór mijn in-dienst-treden bij de maatschappij,na de storting—

Geen raadsels asjeblieft, meneer. U hebt uw gedrag

Sluiten