Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men wijze mij den man, die, in exploitatie van het individu van verre Pietro Annesto Hengelaar gelijkt.

Intusschen werd het gemoedelijk collegie, voor een aangename afwisseling, weder eens onthaald op een belangrijk incident in de organisatie van het personeel. Ruim een jaar was de Jhr. Mr. Brandhout van Eschdoorn werkzaam geweest. Ik heb deze figuur hier weinig handelend laten optreden, omdat zijne houding doorgaans was van passieven aard. In vertrouwelijke mededeelingen omtrent een behagelijk zich bevinden in zijne betrekking of wel het tegendeel, was hij doorgaans een gesloten boek, en met rede. Hoewel niet opgegroeid in het serail, zooals de Jingo van meet af, was hij genoegzaam met de kronkelpaden er van vertrouwd, om in zijne uitlatingen niet af te wijken van een zekere diplomatie. Alleen wanneer de exploitatie-zucht van den hoofdman hem te machtig werd, wat betreft zijn persoon, gaf hij onverholen zijn wrevel te kennen. Hij stak het, ten aanhoore van schoonpapa Verkerker, niet onder stoelen en banken, dat een geëmploieerde, die prompt klokke negen iederen ochtend ten kantore aanwezig is, het recht heeft op het bepaalde uur van vijf zijn haardstede op te zoeken, tenzij dringende zaken tot een nablijven nopen. Hij kon echter geen vrede hebben met de tactiek van den hoofdman, die het er steeds op aanlegde, tegen half vijf met zoogenaamde noodzakelijke brieven te beginnen, om, bij het slaan van zes, den soldeniers te vergunnen hun zijdgeweer op te steken. De hazenpractijk van snelgang ging in dit opzicht bij Hengelaar Junior niet op. En wanneer de hoofdman, uit de hoogte zijner geüsurpeerde grootheid, den jonkheer onder handen nam, dan wilde deze bij de kameraden (!) er wel eens onverholen voor uitkomen, dat alleen „verloopen lui" voor den eersten golden als gangbare munt; dat een „nette vent", een flinke kerel, zich nog wel

Sluiten