Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Wel, meneer Verkerker, u is ook zoo aan het schrijven van meneer Karper's Circulaire ... hoeveel hebt u er al klaar?

— Tien in het uur! — was het antwoord, met het aplomb als van een cipier.

— Dat klinkt anders dan van meneer Karper, die er maar zestien pas heeft geschreven, in twee dagen tijds!

De sarduivel, die van alles op de hoogte bleef aangaande Jan Karper's werk, wist zeer goed dat de aandeelhouder-geëmploieerde tusschendoor met andere werkzaamheden was belast. Maar hij zou zijn valsch spel uitspelen quand mime. Jan Karper begreep, dat hier tegen de bierkaai weer moest gevochten worden. Toch meende hij te moeten zeggen:

— Ik heb maar één hand tot mijn beschikking, om te schrijven, meneer de Jingo.

— Meneer, u is een lamlendigheid, een lam

een lam , een lam ...! — bulderde De Jingo.

De lezer zal — indien hij opwekking gevoelt de samenstellingen van het woord aan te vullen — mij van het neerschrijven van den kazernebloesem verschoonen. Het riool stond, volgens Glazenkamp's bewering, bij den eerstaanwezende weer open.

Jan Karper geraakte in zeer verklaarbare woede en schold den Jingo uit voor „aterling!"

De heer Verkerker vatte dit op als een godslastering. Dreigend verhief hij zich van zijn ministerzetel en snauwde Jan Karper toe:

— God helpe me! meneer, je zult hier niet vloeken! Ik gebied je te zwijgen! Of je gaat er uit!

— Gebied je vroegere boeven, maar voor u zwijg ik niet! en op uw kommando verwijder ik me evenmin.

— Was je nog maar een boef! — grijnsde Verkerker.

Sluiten