Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ja, dan waart u mijn cipier, maar dat is u hier toch al drie jaren reeds voor mij geweest, al heb ik den sleutelbos in uw handen niet gezien, noch het rammelen

er van gehoord.

je bent een onmogelijk mensch! — besloot Verkerker.

— Maar een goede kapstok waaraan veel is opgehangen — hernam Jan Karper.

Waarom ga je niet heen? Tweemaal heb je 't

geleverd, maar altijd kwam je met hangende pootjes terug — begon Verkerker, ziende dat de toeleg niet dadelijke uitwerking had — als straks de directeur terug komt, zal jc andere noten hooren kraken, daar kan je van op aan!

— Wat u daar zegt van „hangende pootjes", is een infame leugen, meneer Verkerker, meer zal ik er niet op antwoorden. Wat uw schoonzoon betreft — ging Jan Karper voort — hij is een van de lieden, die iemand wel van de wijs brengen, maar die men niet vreest. Hoor mij nog even aan, het is het laatste, dat ik hier zeggen zal, want langer blijven verkies ik niet. De maat is lang reeds vol en het loopt alles over de hand. Het is geen gevolg geven aan uw oogenblikkelijk verlangen, wanneer ik heenga, maar eene noodzakelijkheid, door alle „hens mij nu sedert drie jaren opgelegd. Niet wij, zoo zal het heeten, als ik weg ben, niet wij hebben hem heengezonden, hij is zelf uit eigen beweging gegaan. Wie nog een greintje eerbied heeft voor zich-zelf, heeft de jonge Ringstar bij zijn vertrek eenmaal gezegd, blijft bij zoo'n bende niet. Zijn woorden maak ik tot de mijne. Gegroet meneer Verkerker! En, meneer de Jingo, wanneer u soms van meening is, dat ik gehoor geef aan den wenk van uw briefje in dato 30 Augustus j.1., dan wil ik u de voldoening schenken, dat uw toeleg, uw „draai" is gelukt. En nu, heeren van de

Sluiten