Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den „weggeloopen" aandeelhouder-gewezen-employé, namens den directeur aan te zeggen, dat een week salaris te zijner beschikking stond; dat meneer Karper, als hij aandrong op een antwoord op zijn breedvoerig schrijven, dit, ten kantore van den directeur, hem mondeling zou worden verleend. De directeur had tot schrijven geen tijd, en ... hij stond te hoog.

De eerste tijding was den opgejaagde welkom. Hij zeide te zullen disponeeren. Wat het tweede punt betrof, aangezien meneer Karper bij ondervinding wist, dat een passeeren door de cordons der trawanten en het confronteeren met de bent, van te voren reeds, als chosc jugt'c, in zijn nadeel was bepaald, hij in deze twijfelachtige zaak de leer der onthouding was toegedaan.

En Jan Karper disponeerde in eene kwitantie over f 31.25, zijnde salaris van 1—7 September 1899, volgens maatstaf en op grond van het schrijven des directeurs in dato 23 December 1896 (zie bl. 53) uitkeering per maan d.

Daar bleek alweer handtastelijk, welk een uilskuiken de aandeelhouder was tegenover die behendige zaakdieren der Rhodeso, en dat ten slotte de heeren wel eens gelijk konden hebben in hunne bewering: hij is lastig, onhandelbaar, onmogelijk en totaal onbruikbaar voor ons kantoor en onze maatschappij.

Jan Karper had volgens Bartjes gecijferd: als een maand van vier weken geeft f 125.—, dan geeft één week f 31.25. Hij ontving zijne kwitantie terug, met ondervolgend begeleidend memorandum:

Langerhout 11-11 a, 3 Oct. 1899.

Den Heer Jan Karper, te 's Gravenoord.

Hierbij overhandigen wij het u komend salaris

Khodeso-Meei lanüica.

16

Sluiten