Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Natuurl. rang volgens Linnaeus, Córonariae, Lilliaceae,

Decandolle. .

Geslachtskenmerken: de bloemkroon klokvornng, met bloembladen of slippen zonder honigbakje* aan den voet, de stempels dik en onsesteeld. De zaaddoos langwerpig, driekantig. Soortelijke kenmerken, met een éénbloemigen onbehaarden stengel; de bloemen geel en een weinig knikkende, de bloembladeren lancetvormig gespitst, aan oen top gebaard. De meeldraden ruig aan den voet. De bol dezer plant is eirond, gezwollen, donkerbruin van kleur. De stengel onverdeeld, bijna recht, onbehaard, éenbloemig, in het midden van bladeren voorzien, van onderen smallei toeloopende. De bladen zijn overhoeks eenigszins stenge omvattend, lancetvormig. spits, gekield, zeegroenachtig van kleur. De bloem eindelingsch, welriekend, geel, eenigszins groenachtig van buiten, voor den bloeitijd knikkende; de bloembladeren ovaal-lancetvormig zonder homgbakje aan den voet. De meeldraden zijn met den stamper samengedrukt; de helmknopjes langwerpig, geel en met een geel stuifmeel gevuld. Het vruchtbeginsel driekantig; de stempel zonder stijltje op het vruchtbeginsel vastzittende. stomp, driekantig en niet verbreed. De geheele plant groeit ter hoogte van 3 palmen. Groeiplaatsen: In boschachtige weiden. Dezelve is in ons land het eerst gevonden door den heer Six, om het slot van Hagestein, waar zij in 1824, na verloop van meer dan 50 jaren, door den heer Behgsma is weergevonden. De heer Beucker Andreae zag haar in Ferwerderadeel en bij Weidum in Friesland. De heer Bergsma eindelijk heeft haar in het voorjaar van 1826 in menigte gevonden in den omtrek der stad Hoorn en daarvan eene afbeelding toegezonden.

Er kan na dit alles wel geen twijfel meer bestaan, ot deze fraaie plant inderdaad onder onze inlandsche soorten te rekenen is. Linnaeus en Haller hebben haar beschouwd als uit tuinen afkomstig te zijn, maar gelijk uit het bovenstaande blijkt, behoort zij bepaald tot de inlandsche gewassen te worden gerekend. Ook in Engeland wordt ze trouwens als zoodanig erkend.

De haartjes onder aan de helmdraden bevatten volgens Linnaeus honig, aan welke omstandigheid de bloem hsa' geur ontleent en waardoor tevens de bijen worden gelokt. Volgens den nauwkeurigen Leeks, zijn al de bloembladeren

Sluiten