Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tobbe stond, en 'n witwerkers-tafeltje „met zonder" kleedje, en een bedstee, evenals 't ©enige raam „met zonder" gordijnen . . . Neen 't was haar aan te zien, aan de moeite om zindelijk te blijven, aan 'n zeker cachet van fatsoen op 't ontberingsgezichtje. En haar wijze van zich uit te drukken was zoo geheel anders, ook haar jargon dat ze onwillekeurig aansloeg, toen ze vertrouwelijk werd. Ze was niet eens 'n Amsterdamsche. Ze waren van een klein jiesjif1) in den Achterhoek, waar haar man-olewesjolem gazzen2) en rebbe3), was, maar hij was jong overleden, en de kleine kille4) kon geen pensioen geven. Toen was ze met haar eenig zoontje naar het Land van Belofte getogen, naar Amsterdam, waar iedereen z'n pernoosse5) vindt, als men niet te lui is en het mazzel 'n beetje wil. En 't is goed gegaan, 'n tijdje. Brave menschen hebben haar voortgeholpen, van die ouërwetsche menschen die weten wat tsdooke6) is. Die hebben gezorgd voor naaihuizen, en afentoe ging ze uit bakeren, en Cheijempie

1) Dorp. 2) Voorzanger. 3) Godsdienstonderwijzer.

4) Gemeente. 5) Buurtwinning. 6) Weldoen.

Sluiten