Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hand. „Mooie waar, juffrouw, klein maar

rein..."

— Pakt u ze maar er es an ; zoo hard als

'n bikkel...

— O, benne 't maor skellefies; 'k dacht dat je bot hadt... jokte 't vrouwtje, als allen die koopen wilden veinzende iets anders dan het ge'üodene te verkiezen. „En wat 'n ukkies! — 't lijkent wel sprot!"

Juffrouw, Je mot ze probeere. Zoo

fijn heb je ze nooit gegete...

En Cheijem draaide 't heele repertoire af, dat hij van andere vischlui had afgeluisterd als ze 'n kijkster tot koopster wilden suggereeren. Om zelf iets uit te vinden dat overredend kon werken, daartoe ontbrak hem het mercantiele flair.

Ten slotte wees de vrouw met den top van haar wijsvinger naar vijf stuks, op t oog de grootste van de collectie.

„Die kosse je vijf kwartjes, juffrouw."

De vrouw zei niemendal en keerde zich om.

— Nou, juffrouw, benne ze je niks waard!... Je ken toch altijd biejen — Ik zal je geen kwaad bescheid geven1 riep Cheijem haar na, feitelijk veel te vroeg.

Sluiten