Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V : 9—VI : i.

9. Wan niet bij iederen wind,

en ga niet langs iederen weg.

10. Wees standvastig in hetgeen gij weet,

en één zij uw woord.

11. Wees vaardig in de voordracht,

maar geef bedachtzaam antwoord.

12. Als gij iets weet, antwoord uwen naaste,

maar zoo niet, de hand op uwen mond.

13. Eer en schande komen door de rede,

en de tong des menschen brengt hem ten val.

14. Wil niet dubbeltongig heeten,

en laster niet met uwe tong;

want over den dief breekt schande uit,

en booze smaad over den dubbeltongige.

15. Handel in het kleine en in het groote niet slecht,

VI.

1. en word in plaats van een vriend geen vijand ;

een slechten naam, smaad en schande zoudt gij beërven, zoo gaat het den dubbeltongigen booswicht.

Sluiten