Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

x : 3—i3-

3. Een tuchteloos koning richt zijn volk te gronde,

en bevolkt wordt eene stad door het verstand harer overheid.

4. In de hand van God is de heerschappij der wereld, en den man voor den tijd stelt Hij over haar aan.

5. In de hand van God is de heerschappij van iederen machtige, en voor den vorst bestelt Hij zijn aanzien.

6. Pleeg met geen misdaad geweld aan uw naaste,

en ga niet op den weg van den hoogmoed.

7. Bij God en bij menschen is de hoogmoed gehaat, en beiden geldt verdrukking als boosheid.

8. De heerschappij gaat van het eene volk op het andere over, wegens overmoedige gewelddaden.

9. Wat zal stof en asch zich verhoovaardigen,

hij, wiens lijf bij zijn leven vol wormen is?

0. Straks spot de ziekte met den arts,

vandaag is hij een koning, en morgen is hij dood.

1. Sterft de mensch, dan zijn wormen zijn deel,

maden, ongedierte en kruipers.

2. Het wezen van den hoogmoed des menschen is verzet, en van zijnen Schepper valt zijn hart af.

3. Want de vergaderplaats des overmoeds is de zonde, en zijne bron borrelt over van boosheid;

daarom heeft God hem wonderlijk gestraft,

en hem geslagen tot vernietigens toe.

Sluiten