Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI : 19—28.

19. Wanneer hij denkt: ik heb rust gevonden,

en nu wil ik eten van mijn goed,

dan weet hij niet, wat voor een dag er komt,

en of hij dat nalaten moet aan een ander en sterven.

20. Mijn zoon! blijf bij uw taak en heb er welgevallen in, en word in uwen arbeid oud.

21. Ontzet u niet over de daden van den goddelooze, sta vroeg op voor den Heer en wacht op Zijn licht, want het behaagt den Heer

geheel onverwachts den arme rijk te maken.

22. De zegen van God is het deel van den vrome,

en ter rechter tijd spruit zijne hoop uit.

23. Zeg niet: <waartoe deed ik Zijn welbehagen?

en wat zal er nu voor mij overblijven ?»

24. Zeg niet: «ik heb genoeg,

en waar is het ongeluk, dat mij zou kunnen treffen ?»

25. Het goede van een dag doet het kwade vergeten,

en het kwade van een dag doet het goede vergeten.

26. Want licht is het voor den Heer, ten dage dat het einde daar is, den mensch naar zijnen wandel te vergelden;

27. Een slechte tijd doet de vreugde vergeten,

en het einde des menschen legt getuigenis aangaande hem af.

28. Prijs niemand gelukkig vóór zijn dood,

en aan zijn einde wordt de man gekend.

Sluiten