Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV : 9—18.

9. In het oog van den verarmde is zijn bezit te klein,

maar wie het bezit van zijn naaste neemt, doet zijne ziel verdorren.

10. Het oog van den gierigaard vlamt op brood,

maar er is niets op zijne tafel.

11. Mijn zoon! als gij het hebt, doe u te goed, en verkwik u zooveel gij kunt.

12. Bedenk, dat de dood niet draalt,

en het besluit der onderwereld u niet wordt aangezegd.

13. Voordat gij sterft, doe den vriend wel,

en geef hem naar uw vermogen.

14. Onttrek u niet aan het goede van heden,

en versmaad geen stuk levensvreugde.

15. Gij laat immers aan een ander uw vermogen na,

en hetgeen gij u verwierft aan hen, die het lot werpen.

16. Geef en neem en troost u zeiven,

want in de onderwereld behoeft men geen genot te zoeken.

17. Alle vleesch vergaat als een kleed,

en 't is een eeuwige wet: zij moeten sterven.

18. Gelijk de wasdom der bladeren aan een altijd groenen boom het een verwelkt en het ander spruit uit,

zoo is 't met de geslachten van vleesch en bloed, het eene sterft, en het andere rijpt.

Sluiten