Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV : I9—XV : 2.

19. Al zijne werken moeten vergaan,

en het gewrocht zijner handen zal hem volgen.

20. Heil den mensch, die nadenkt over de wijsheid, en die acht geeft op het inzicht;

21. die op hare wegen zijn hart stelt en op hare paden let,

22. om haar na te gaan als een spion;

en al hare gangen beloert hij.

23. Die door haar venster heen gluurt,

en aan hare deuren luistert.

24. Die zich nederzet in den omtrek van haar huis, en in haren muur zijne pinnen slaat.

25. Hij slaat zijne tent naast haar op,

en betrekt een goede woning.

26. Hij plaatst zijn nest in haar loof,

en in hare takken overnacht hij;

27. en hij bergt zich in hare schaduw voor de hitte, en in haar toevluchtsoord woont hij.

xv.

1. Wie den Heer vreest, doet dit,

en wie de wet vasthoudt, verwerft haar.

2. Zij komt hem te gemoet als eene moeder,

en als eene jonge vrouw neemt zij hem op.

Sluiten