Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXII.

De luiaard. — Wat slechte kinderen voor hunne ouders zijn. — De onvatbaarheid van den dwaas voor onderricht. — Het beklagenswaardige van zijn lot. — De onversaagdheid van den man van overleg. — Vriendschap bij beleediging en bij schending van vertrouwen. — Bede om eene wacht voor de lippen.

1. Aan een bevuilden steen is de luiaard gelijk,

en ieder veracht hem om zijn onwaarde.

2. Aan drek op de mesthoop is de luiaard gelijk,

al wie er mede in aanraking komt, schudt de hand af.

3. Eens vaders schande ligt in het verwekken van een onopgevoeden zoon,

en eene dochter wordt hem tot vernedering geboren;

4. eene verstandige dochter is een schat voor haar man, maar de schaamtelooze is tot hartzeer van die haar verwekte;

5. de onbeschaamde is haar vader en haar man tot schande, en door beiden wordt zij veracht.

6. Muziek bij treurigheid is als een verhaal bij ontijd; maar geeselroede en tucht zijn te allen tijde wijsheid.

7. Wie een dwaas leert, is als een die scherven lijmt, als een, die iemand uit een diepen slaap wekt.

Sluiten