Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII : 18—26.

18. Fijn grint, dat boven op eene hoogte ligt,

zal het tegen den wind niet uithouden,

alzoo is een beangst hart, bij een dwaas voornemen, tegen geenerlei vrees bestand.

19. Een slag op het oog brengt tranen te voorschijn, en een slag op het hart drijft de vriendschap uit.

20. Wie een steen naar vogels werpt, verjaagt ze,

en wie een vriend smaadt, ontbindt de vriendschap.

21. Hebt gij tegen een vriend het zwaard getrokken, wanhoop niet, want terugkeer is mogelijk;

22. hebt gij met een vriend woorden gehad,

wees niet bezorgd, want verzoening is mogelijk:

behalve smaad en trotsche bejegening,

verraad van een geheim en een listigen aanslag:

bij deze vlucht iedere vriend.

23. Blijf den vriend trouw in zijne armoede,

opdat gij in zijn voorspoed nauw met hem verbonden blijft;

blijf ten dage der beproeving met hem,

opdat als een erfenis hem gewordt, gij haar met hem deelt.

24. Damp en rook van den oven zijn voorboden van het vuur, alzoo smaadredenen van het vergieten van bloed.

25. Schaam u niet een vriend te beschermen en verberg u niet voor hem;

26. en indien hem kwaad overkomt,

dan zal ieder, die het hoort, zich voor hem wachten.

Sluiten