Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIV : 16—28.

16. «als een terpen tij nbooin breidde ik mijne takken uit, en mijne takken waren prachtig en liefelijk;

17. «als een wijnstok deed ik sierlijke ranken uitbotten,

en mijne bloesems ontwikkelden zich tot eene vrucht, heerlijk en rijk.

19. «Komt tot mij, gij, die mij begeert,

en verzadigt u met mijne vruchten;

20. «want mijner te gedenken is zoeter dan honig,

en mij te bezitten gaat boven honigraat;

21. «wie mij eten, zullen steeds naar mij hongeren,

en wie mij drinken, al meer naar mij dorsten;

22. «wie naar mij hoort, zal zich niet schamen,

en wie zich mijner bedienen, zullen niet zondigen.»

23. Dit alles geldt van het boek des verbonds van God den Allerhoogste,

van de wet, die Mozes ons geboden heeft,

het erfdeel voor Jacobs gemeenten;

25. zij is het, die met wijsheid vervult, gelijk de Pison, en als de 1 iger, in de dagen der eerstelingen:

26. die met verstand vol maakt, gelijk de Eufraat,

en als de Jordaan in de dagen des oogstes;

27. die tucht doet wassen, gelijk de Nijl,

en als de Gihon, in de dagen der wijnlezing.

28. De eerste leerde haar niet ten volle kennen,

en zoo zal de laatste haar nog niet hebben uitgevorscht;

Sluiten