Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIX : 19—28.

19- Een slecht mensch steekt zich [uit hebzucht] in borgen, en naar woeker jagende, zal hij in het oordeel vallen.

20. 'Irek u den naaste aan naar uw vermogen,

maar heb acht op u zeiven, dat gij niet ten val komt.

21. De nooddruft des levens is water en brood,

en kleeding en woning om de naaktheid te dekken;

22. beter de nooddruft des armen onder eene houten zoldering, dan keur van spijzen in het huis van een vreemde;

23. wees vergenoegd, hetzij gij weinig hebt of veel,

dan zult gij het verwijt niet hooren, van een vreemdeling te zijn.

24- Het is een ellendig leven van huis tot huis te gaan, en waar men in een huurhuis zit, den mond niet te openen;

25. als een slaaf geeft gij te eten met ondank tot loon,

en gij hoort bitterheden bovendien:

26. < Kom, vreemdeling! recht de tafel aan,

« en wat gij bij de hand hebt, spijzig mij er mee! >

27. «Ga, vreemdeling! daar gij mij tot last zijt,

« mijn broeder is bij mij te gast, ik heb de woning noodig! >

28. Zwaar zijn deze dingen te dragen voor wie gevoel heeft: het verwijt van den huisheer en de smaad van den schuldeischer.

Sluiten