Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXXII—XXXIII : 15.

Tafelwetten voor den ceremoniemeester, voor oudere en jongere gasten. — Het aannemen en het verwerpen van tucht. — De eigenzinnigheid van den hoovaardige. — Opwekking tot overleg. — Zelfvertrouwen. — De zegen van 's Heeren vrees. — Het binnenste van den dwaas. — Gods wijsheid in de verschillende lotsbedeeling der menschen.

1. Maakt men u ceremoniemeester, verhef er u niet op, wees den gasten gelijk een hunner,

zorg voor hen en neem daarna plaats.

2. Bestel wat gij noodig hebt en ga dan aanliggen,

opdat gij u verheugt ter wille van hen,

en gij wegens uw leiding eer geniet.

3. Voer het woord, o oude! want dat komt u toe, bescheiden en verstandig, maar stoor het gezang niet.

4. Daar waar men zingt, laat uw rede niet stroomen, en stel u niet als wijze aan te ongepaster tijd.

5. Gelijk een saffieren zegelring aan een gouden keten, is kunstvaardig gezang bij het wijngelag.

6. Een smaragden edelsteen in goud gezet,

zoo is de klank van een lied bij zoeten wijn.

7. Spreek, jonge man! als gij volstrekt moet,

als men het u dringend twee- en driemaal vraagt.

8. Vat de rede samen, en zeg met weinig veel,

wees als iemand, die het weet, maar zwijgen kan.

Sluiten