Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXVII : 17—26.

17. De wortelen van de overlegging des harten doen vier spruiten opschieten:

18. goed en kwaad, en leven en dood,

maar volle heerschappij over deze voert de tong.

19. Menig wijze doet zich aan velen als wijs voor,

maar voor zich zeiven is hij een dwaas.

20. Menig wijze wordt om zijne woorden gehaat,

en moet alle genot ontberen.

21. Hem toch is geene gunst van den Heer beschoren, omdat hij van alle ware wijsheid is beroofd.

22. Menig wijze betoont zich wijs voor zich zeiven,

de vrucht van zijn weten is uitsluitend voor hem zeiven.

23. Menig wijze betoont zich wijs voor zijn volk,

de vrucht van zijn weten is blijvend.

25. Eens menschen leven duurt een bepaald getal dagen, maar niet te tellen zijn de dagen van Jeschuruns leven.

24. Wie wijs voor zich zelf is, wordt verzadigd van genot, en gelukkig prijzen hem allen die hem zien.

26. De wijze van een volk verwerft eere,

en zijn naam blijft tot een eeuwig leven.

Sluiten