Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXVIII :4—15.

4. God heeft uit de aarde medicijnen voortgebracht,

en een verstandig man versmade ze niet.

5. Werd niet water zoet van hout,

om allen menschen Zijne kracht te doen kennen?

6. Ook gaf Hij den menschen verstand,

om zich roem te verwerven door Zijne wonderkrachten.

7. Door deze lenigt de arts de smart;

8. en zoo bereidt de apotheker de zalf,

opdat Zijn werk geen einde neme,

en het heil, dat van Hem komt, op Zijn aardbodem zij.

9. Mijn zoon! wees in ziekte niet zorgeloos,

bid tot God, want Hij kan genezen.

10. Wijk van de ongerechtigheid, en reinig de handen, en maak van alle zonden het hart vrij.

11. Breng een meeloffer en daarbij wierook,

benevens een vet offer, als 't in uwe macht is.

12. Maar houd ook een plaats voor den arts open,

hij blijve niet ver van u, want ook hij is noodig.

13. Immers somtijds ligt de hulp in zijne hand;

14. want ook hij bidt tot God,

dat Die aan de verkenning der ziekte zegen schenke, en de geneeswijze tot herstel moge zijn.

15. Wie zondigt tegen zijn Schepper,

valle in de handen van den arts.

8

Sluiten