Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIX : 16—25.

16. De werken van God zijn alle goed,

voldoende voor ieder doel te zijner tijd.

17. Door Zijn woord stelt Hij de lamp aan den hemel, en door hetgeen Zijn mond uitgaat Zijn licht.

Wat Zijn welbehagen begeert, gelukt,

er bestaat geene hindernis voor Zijne hulp.

19 Het doen van alle vleesch ligt open voor Hem,

en niets is voor Zijne oogen verborgen.

20. Van eeuwigheid tot eeuwigheid reikt Zijn blik,

en niets is te wonderlijk of te sterk voor Hem.

21. Men zegge niet: «waartoe dient dit?»

wint alles is voor Zijn doel uitgezocht.

Min zegge niet: < dit is slechter dan dat »,

wait alles is op Zijn tijd voortreffelijk.

22. Ziji zegen vloeit over gelijk de Nijl,

en |elijk de Eufraat drenkt Hij de wereld.

23. Evenoo dreef Zijn toorn volken uit,

en v<randerde in een zoutwoestijn waterrijk land.

24. Zijne /egen zijn voor de godvruchtigen effen,

doch eenzeer zijn ze voor de zondaars onbegaanbaar.

25. Het goeie bestemde Hij voor de goeden van den aanvang, evenzeervoor de boozen het goede en het kwade.

Sluiten