Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIX: 26—35.

26. De eerste van al 's menschen levensbehoeften,

zijn water en vuur en ijzer en zout,

het vet der tarwe, melk en honing,

druivenbloed, olie en kleeding.

27. Al deze dingen zijn voor de goeden goed,

maar veranderen voor de boozen in kwaad.

28. Er zijn geesten, die tot wraak zijn geschapen,

en in hun woeden verzetten zij bergen.

29. Vuur en hagel, honger en pest,

ook deze zijn voor 't gericht geschapen.

30. Verscheurende dieren, schorpioenen en slangen,

en het zwaard der wrake, tot verdelging der boozer:

deze allen zijn voor hun doel geschapen,

en worden in de voorraadkamer voor hun tijd bewiard.

31. Als Hij hun beveelt, juichen zij,

en als Hij hun een opdracht geeft, weerstreven :ij Zijn woord niet.

32. Daarom stond ik vast van den aanvang af, ik overwoog het en ik schreef het neder.

33. Gods werken zijn alle goed,

voor elk doel voldoende te zijner tijd.

34. Men zegge niet: «dit is slechter dan dat»,

want het is alles op zijn tijd voortreffelijk.

35. Jubelt nu uit volle borst en mond,

en prijst den naam van den Heilige.

Sluiten