Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLI : 7—16.

7. Den goddeloozen vader vervloekt het kroost,

want om zijnentwil wordt het veracht.

8. Wee u, goddelooze mannen!

die de wet des Allerhoogsten hebt verlaten.

9. Vermenigvuldigt gij u, dan is het tot schade,

en verwekt gij, dan is het tot verzuchting;

komt gij ten val, het is tot eeuwige vreugde,

sterft gij, het is tot een vloek.

10. Al wat uit niet is, keert tot niet weder,

zoo de booswicht van niets tot niets.

11. Nietig is de mensch door zijn lichaam,

maar de naam van den vrome wordt niet uitgedelgd.

12. Wees bezorgd om uw naam, want die blijft u bij,

meer dan duizend kostbare schatten.

13. Het goede des levens duurt dagen, die te tellen zijn, maar een goede naam duurt tallooze dagen.

14. Verborgen wijsheid en een begraven schat,

welk nut is in die beide?

15. Beter iemand, die zijn dwaasheid bedekt,

dan iemand, die zijn wijsheid bedekt.

16. Hoort, zonen, de leer der schaamte,

en schaamt u naar dat ik u te recht wijs.

Niet iedere schaamte is betamelijk om in acht te nemen, niet alle beschaamdheid is in waarheid voortreffelijk.

Sluiten