Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XLIX.

Jozia. — Goddeloosheid der koningen. — Jeremia. — Ezechiël. — De twaalf profeten. — Zerubbabel. — Jozua. — Nehemia. — Henoch en Jozef. — Sem en Seth. — Adam.

1. De naam van Jozia is als een welriekend reukwerk, het mengsel, dat het werk is van den zalfbereider,

in het verhemelte is zijn aandenking als honig zoo zoet, en als een lied bij het wijngelag;

2. want hij bekommerde zich om onze afvalligheid, en maakte aan de nietige gruwelen een einde;

3. en hij gaf zijn hart volkomen aan God,

en in de dagen der boosheid betrachtte hij vroomheid.

4. Behalve David, Hizkia

en Jozia handelden allen slecht,

en verlieten de wet des Allerhoogsten,

de koningen van Juda tot hun einde;

5. en zij gaven hunne macht aan een ander,

en hunne eer aan een vreemd volk.

6. Die staken de heilige stad in brand,

en woest lagen hare straten,

door het woord van Jeremia, omdat zij hem mishandelden, terwijl hij van den moederschoot af voor profeet bestemd was geworden,

7. om uit te roeien, te vernietigen en te verdelgen,

maar evenzeer om te bouwen, te planten en weder te brengen.

Sluiten