Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LI : 16—24.

16. Ik neigde mijn oor een weinig en ving op,

en ik erlangde veel kennis;

17. en haar juk was mij eene eer,

en mijnen leeraar gaf ik lof.

18. Ik was er op bedacht haar goed uit te vorschen, en werd niet te schande, want ik vond haar.

19. Mijne ziel hing haar aan,

en mijn aangezicht zal ik niet van haar wenden;

[ik vleide mij neder bij hare woning]

en in eeuwigheid zal ik niet van haar wijken.

Mijne hand opende hare poorten,

en ik ging tot haar en hield haar in 't oog.

20. Ik richtte mijn zin er op om haar na te volgen, en ik bevond haar rein.

Inzicht verwierf ik mij van den aanvang af,

daarom heb ik haar nooit verlaten.

21. Mijn binnenste was onrustig om haar te zoeken, daarom verwierf ik mij haar als een goede bezitting.

22. De Heer gaf mij het loon mijner lippen,

en met mijne tong wil ik Hem prijzen.

23. Keert tot mij in, gij onverstandigen!

en vertoeft in mijne leerschool.

24. Tot hoe lang zult gij dit en dat ontberen,

en zal uwe ziel zeer dorstende zijn?

Sluiten