Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de zevende zoon, om 't „keuningszeer"' — -- en lach er niet om

• M a r i e.

Vaarwel, oom - lk lach er heus niet om ik kan 't alleen maar niet geloven

T r i ppels.

Dat is 't juist met jou - — ja, ja —

nu - ik ga mee; ik wil je zien paraderen in 't me-

biel - jou ongelovige

M a r i e.

Dat 's liet' van u — — —• Adieu. meneer de

kapelaan - — -

Karei.

Adieu, Marie —■ — —

Mar ie en Trippels links uf.

XXX.

KAKEL.

K a r e 1.

zucht, eenvoudig.

„Dat ge arendswieken hadt, gij jammervolle jaren, die kruipend om zult gaan, eerdat mijn bloed bedaren,

mijn hart berusten zal — — —" O God, geef kracht mijn schreden zijn niet vast — — — Het pad is steil - - en hoog de top — — Zo zwaar de vracht — Aioeder Gods - - — — o bid voor mij - — laat mij

niet neerslaan, Heer - — — Was het een ijdel wanen.

dat ik in moeders stem uir stem verstond . mijn God ?

Vergeef, vergeef mij ~ — — ik zal ook die vraag versmoren — ik ben uw dienstknecht. God, de die-

4*

Sluiten