Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ka rel.

Neen — ik bén een mens en kèn jou ook als mens - — Bedenk. Marie, wat God laat gebeuren — — — als ik

door zijn genade — — jou ziel, die onder de mensen

mij liet dierbaarst in — — — en blijft, — — — jou ziel

behouden mag — Laat mij die heerlike gedachte —

buig je wil in Gods wil, en stel geen aards genot -- — — hoe zoet ook, hoe bekorend — - - — boven enig eeuwig heil en de dienst van de Allerhoogste — — — Ik wéét, je hebt me liefgehad — -- —

M a r i e.

Je weet dus niets — — — Ik heb je lief.

Karei.

Toon dat dan, — en dien me, dat is : dien God - - — Wijd je liefde dan aan de armen in mijn naam — •— — ik kan ze nu niet helpen, ik moet ze verlaten help jij ze dan — — — Wie God dus zoekt, die komt Hij naderbij en maakt de duisternis tot licht, en stilt hun honger met een spijs, die zoeter smaakt dan zingenot en brood

M a r i e.

Spreek niet verder zo, bedwelm me niet — — — Maar zie me aan — —■ — — Nee, zie me aan, jou ogen in de mijne — — — zó — — — Wil je dat ik ga? — - —

Versmaad je mij? — — — Bekoort mijn leven niet?

mijn liefde niet — — — — Nee, zie me aan — — —

Karei.

raait in (Je war.

Ik heb 't al gezegd, Marie — — -- ■ —

Marie.

Dus jij gelooft nu nog, dat God al die martelingen van krankzinnige mensen wil — — —

Sluiten