Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Een blik in het zieleleven van den Javaan.

„La ilaha illa allah."

Hoe duizenden malen heb ik deze klanken op Java gehoord, bij patienten die pijn hadden, bij patienten die angstig waren en tijdens de uren van het gebed.

De Javaan gelooft dus aan God. Maar niet den God der christenen, den vaderlijken God. De God der Javanen is niets anders dan het noodlot, het fatum der antieke volkeren.

Deze Allah, achter wiens naam hij zoo gaarne voegt een epitheton ornans als: „de almachtige, de heilige, de hoogheerlijke", deze Allah, is als een blinde voor den inensch; eene voor zijn welzijn onverschillige macht, waaraan de mensch evenwel willoos onderworpen is.

Dit geloof aan een fatum klimt evenwel niet tot fatalisme, tot onverschilligheid voor de toekomst, tot het verzaken van vrees en hoop; daarvoor is de Javaan te praktisch, hij is geen fatalist.

Neen, want zijn leven, zijne toekomst wordt niet beheerscht door Allah, maar door de tallooze mindere goden, goden van het boedhisme, geesten van het animisme, fetichisme, en geesten der voorvaderen of van het spiritisme.

En evenals de goden der Grieken onderworpen waren

Sluiten