Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Do aard of het karakter van eene taal heeft zijn grond in den aard of het karakter van het volk, waarbij die taal zich ontwikkeld heeft. Zoo heeft dan ook in de Javaansche taal de groote rijkdom aan woorden hierin eene voorname oorzaak '), dat het den Javaan bij eene vrij groote mate van ontwikkeling en fijne gaaf van onderscheiding toch ontbreekt aan zin voor het algemeene, zoodat hij, zonder het meer algemeene in het bijzondere op te merken en in algemeene begrippen onder algemeene termen samen te vatten, alleen het verschillende, bijzondere, met verschillende benamingen bestempelt. Zoo heeft bijv. de Javaan geen algemeen woord voor dragen, maar bijzondere bewoordingen voor „over den schouder dragen", „op den rug dragen", „op het hoofd dragen", „op den arm dragen", enz. enz. Dat echter alle begripwoorden over het algemeen niet ten eenenmale ontbreken, bewijzen woorden als taboeh, bak al, aboe, se gó, wit en dergelijke; al moge de schaarschheid dezer woorden den regel ook bevestigen.

Dat de Javaan niet nadenkt in onzen zin, getuigen allen, die hem nader kennen.

Zoo vond ik bij Poensen (I 157): „De Javaan luistert bij uitstek gaarne naar verhalen. Vertel hem tienmaal dezelfde historie, hij zal die voor de elfde maal met ongeveinsde belangstelling willen hooren."

Dus evenals onze kinderen, die honderd maal luisteren naar het verhaal van roodkapje, al weten zij het beter dan hij, die het vertelt. Dat bemerkt men ook bij de wajangvertooningen, waar zij uren lang naar zitten

1) Die groote rykdom aan woorden heeft volkomen dezelfde oorzaak als de groote rijkdom aan geesten of gepersonifieerde natuurkrachten of kwalen.

Sluiten