Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achtig is ook de volgende schets van het karakter van den Javaan door Stoll.

„Na volbrachten arbeid kalm thuis zitten uitrusten, zijn karbouwen bewonderen, naar zijn berkoetoet of derkoekoe luisteren, als hij er een bezit, zich door moeder de vrouw de stram gewerkte ledematen laten masseeren, of de ongewenschte zich hardnekkig aan zijn hoofdhuid en langen haardos vastzettende kleine plaaggeesten laten vangen en tusschen de tanden of duimnagels verpletteren of knippen, „mein Liebchen, was wilst Du noch mehr".

Het is juist de laatstgenoemde, geliefde bezigheid, die ons Europeanen telkens aan een apenkooi doet denken. Heeft hij genoeg verdiend om eenigen tijd zonder zorg te kunnen leven, dan brengt hij gaarne eenige dagen op deze wijze door, en zit er meer in hem, dan kan hij er ook werklijk bij philosopheeren „dasaring hatiné dèwé" zooals hij het noemt, den grond van het eigen hart onderzoeken, zijne gedachten op het zeef leggen.

Gaat hij daarmede verder door, verdiept hij zich in bespiegelingen, die boven aardsche behoeften gaan, dan, en dit is het natuurlijk gevolg van zijn alles overheerschend gevoel der afhankelijkheid, dan brengt het hem toch niet verder dan tot een soort determinisme, of eindelijk tot de leer van het „niet zijn", de vernietiging van eigen ik, het denken zonder gedachte. (Vergl. Harthoorn, blz. 216—219, de ilmoe péling en ilmoe banjoe bening).

Verder komt hij niet met zijn denken of suffen, nooit brengt het hem er toe de oorzaak der verschijnselen na te speuren, die hij om zich heen ziet.

Dit houde men bij de beoordeeling van den Javaan

Sluiten