Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dere of mindere mate van de meeste in Indié opgevoede kinderen, bijna allen zullen er de kenmerken van dragen, en zij zullen die eigenschappen te sterker toonen, naarmate zij langer in Indiö bleven, of van reeds in Indiö geboren ouders afstammen of van ouders met gemengd bloed.

Pastoor M. I. D. Claessens, een ander lid der paupercommissie, kwam getuigen: „een feit is het, dat aan vele indische ouders, de welgestelden niet uitgesloten, de meest elementaire kennis van opvoeding ontbreekt," en de heer Van der Steur verzekerde: „nietweinigen, ook uit de beste standen, gaan op de hoofdplaatsen moreel geheel te gronde door een te weelderig leven en te weinig tucht." Een indo, die zich Doeri ') noemde, schreef het volgende: „aan karaktervorming, speciaal uit een moreel — in den meest uitgebreiden zin daarin oogpunt, wordt toch in de z.g. betere kringen bitter weinig gedaan. Daarvoor heeft papa het „te druk" en mama, die in beuzelarijen opgaat „volstrekt geen tijd. Dit laatste doet er mij aan denken, dat een europeesche moeder mij in Indiö verzekerde, dat zij er zich te goed voor achtte om den ganschen dag aan de kinderen te besteden, die aan een indisch meisje en de bedienden werden overgelaten. Het spijt mij slechts dat ik haar niet heb durven antwoorden „dat zij niet verdiende moeder te zijn, te laag stond voor dit eervolle ambt."

De oud-resident Kooreman getuigde (Indisch genoot-

1) Doeri schreef „iets over indische meisjes en jongens" in een weekblad, dat omstreeks 1899 gedurende eenigen tijd in Indië uitgegeven werd; mijne indische lezers zullen den titel wel weten in te vullen. Ik achtte het van waarde omdat de schrijver een indo is, en knipte het daarom uit, maar verzuimde den titel van het weekblad te notecren.

Sluiten