Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn eigenlijk onderwerp, want ik heb helaas nog andere faktoren te noemen, die ongunstig werken op de karaktervorming van het indische kind.

Boven haalde ik reeds de woorden van pastoor Claessens aan, dat ook de opvoeding in gegoede gezinnen dikwijls niet deugt. Hij en de andere genoemde getuigen en tal van rapporteurs voor de pauper-commissie wijzen er telkens op, dat de zedelijke vorming van het kind gebrekkig is.

Daarmede kom ik op een moeielijk terrein. Velen beweren dat de opvoedende kracht, die uitgaat van godsdienst') buitengewoon groot is en het heeft mij getroffen, deze opvattiug ook bij personen te vinden, die voor zich zelf van allen godsdienst hadden afgezien. Een van dezen, die ik ontmoeten mocht, was een bejaard man, die als advocaat veel had ondervonden; hem hoorde ik eens zeggen: „ik vertrouw een werkelijk geloovig2) man meer dan een ongeloovig man." Bij eene andere gelegenheid hoorde ik twisten over de geschiktheid van indos voor ambtelijke betrekkingen; iemand noemde toen drie indos, thans nog in actieven dienst, die zich buitengewoon hadden onderscheiden, waarop een hoofdambtenaar antwoordde: „Och, die zijn geen bewijs voor de algemeene geschiktheid der indos, want alle drie stammen uit geloovige gezinnen, en dat komt anders bij indos niet voor." Gaf ik hier slechts weder wat ik hoorde, ik zelf mocht de volgende opmerking maken. Ik kende eenige weinige indo-gezinnen,

1) Hier en verder wordt het woord „godsdienst" steeds in den meest algemeenen zin gebruikt.

2) „(xeloovig", liier en later, heeft natuurlyk de hoogste aan dit woord te geven betcekenis: vormendienst, dogma heeft daarmede niets uit te staan.

Sluiten