is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heet Izaak Ben Manasse," antwoordde de Jood: „en de plaats mijner vreemdelingschap is gewoonlijk de wereldberoemde stad Bagdad, waar ik onder de bescherming leef van den machtigen Khalif Aaron al Raschid."

„Een trouwe bondgenoot mijns Konings," zeide de Abt: „en een waardig Vorst, ofschoon een dienaar van den valschen Profeet En wat voert u te Rome?"

„Vergun mij, vooralsnog deze vraag onbeantwoord te laten," zeide Izaak: „de tijd is kostbaar: en wat ik u heb mede te deelen liidt geen uitstel." J

„Ik luister," zeide de Abt, hem met oplettendheid aanstarende

„Ik heb gedurende mijn verblijf te Rome herbergzaamheid genoten bij mijn geloofsgenoot Levi, in de wijk der Transtiberijnen. Dezen morgen was ik in den kleinen hof gegaan, die achter zijn huis ligt. om naar de voorschriften onzer wet mijn gebeden te verrichton'. lerwijl ik hiermede bezig was, hoorde ik in een aangrenzendon hof eenige lieden, die halfluid zich met elkander onderhielden. Onwillekeurig luisterde ik naar hun gesprek, en hetgeen ik hoorde maakte mijn belangstelling zoozeer gaande, dat ik naderbij sloop en al mijn krachten inspande om geen woord van hetgeen zij zeiden te verliezen. Ik vernam hoe er een aanslag tegen den Paus gesmeed was en weldra ten uitvoer gebracht zou worden."

„En gij ijldet niet naar het Paleis der Laterani om dien afschuwelijken moord voor te komen?" viel de Abt hem toornig in de rede.

„Ik ben op weg geweest," antwoordde Izaak: „maar het was reeds te laat: en bovendien, wie zou den onbekenden Jood geloofd hebben ? Maar luister verder: ik hoorde bovendien, dat, dewijl het getal der lieden, op wie men rekenen kon, nog niet talrijk genoeg was, men er van had afgezien om het Vaticaan te bestormen; maar dat men er dezen nacht met een kleine bende zou weten binnen te komen door middel van verstandhouding met een der aanvoerders, dien men mij noemde."

„En hebt gij den naam onthouden?" vroeg de Abt met haast

„Ik weet, dat het mijn hoofd geldt, indien ik een valsch bericht geef ot den naam verkeerd noeme," zeide Izaak: „maar zoo mijn geheugen mij niet bedriegt, was die naam Trazamundus."

„Trazamundus!" herhaalde de Abt: „en hij heeft de wacht aan de poort, waar gij zijt doorgelaten. Marinus! Spoedig hier!"

Een dienaar verscheen.

«Blijf bij dien Jood, en zorg dat hij zich niet verwijdere. Voorwaar! die tijding is van gewicht! — Alles bevestigt mijn vermoedens — Maar met wien nu eerst gesproken? — En waar Forteman te vinden ' trod geve dat ik niet te laat kome." En hij snelde de trappen af.

Intussclien had Okko den Paladijn teruggevonden en vergezelde hem nu op zijn ronde.

„Ik had niet gedacht," zeide hij, nadat zij een poos zwijgend hadden rondgeloopen, „dat Trazamundus zoo waakzaam op zijn post zou zijn."

ll<n dat waarom niet?" vroeg Forteman, nieuwsgierig om de reden van dit gezegde te weten.