Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar een gerucht, alsof gij aan Let strijden waart. Ik hoop niet, dat men ons poogde te overrompelen."

.Daartegen hebben wjj gewaakt," antwoordde Luitmar: ,de toeleg ia mislukt: en zij, die ons verrassen wilden, zoowel als die met hen heulden en hun de plaats wilden overleveren, mogen zorg dragen dat zij niet weder beginnen."

„Hoe nu!" vroeg de Longobard: „zijn er verraders onder de bezetting?"

.Ongetwijfeld!" antwoordde Luitmar: „en misschien zult gij ons op den weg kunnen helpen, om hen te leeren kennen."

„Wat bedoelt gij?" vroeg Trazamundus: ,ik hoop, dat er onder dit gezegde niets beleedigend3 schuilt."

„Graaf Luitmar bezigt deze uitdrukking niet tevergeefs," zeide Forteinan bedaard: ,er bestaat werkelijk verstandhouding tusschen hen, die het waagstuk beproefden, en gewapenden hier binnen: althans wij zagen zooeven iemand, die een helm droeg, niet ongelijk aan den uwen, met hen in vertrouwelijk gesprek gewikkeld."

„Ik ben boven dergelijke vermoedens verheven," zeide Trazamundus: „en gij zult mij rekenschap van uw woorden geven, zoodra de Hertog zal teruggekeerd zjjn, 't geen God geve, dat spoedig geschiede."

„Amen!" zeide Forteman.

.Kom ik nog tijdig?" klonk op dit oogenblik de stem van den Abt, die hijgend kwam aangeloopen: „er is een aanslag beraamd.

„En verijdeld," viel Forteman in, en gaf hem in weinige woorden te kennen wat er was voorgevallen, zonder echter Trazamundu3 te noemen.

„Inderdaad! wij ziiu u dank verschuldigd!" zeide de Abt, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht: ,ik zal voorwaar niet gerust zijn voor de Hertog hier is. — Edele Trazamundus! Kan ik op uw hulpvaardigheid rekenen?"

Luitmar en Forteman stieten elkander verwonderd aan. — „Ik ben tot den dienst uwer Eerwaardigheid bereid," antwoordde de Longobard.

"pk kob boden aan den Hertog gezonden," hernam de Abt:,maar ik ben niet overtuigd, dat zij liun zending naar eisch volbrengen en genoeg op de spoedige komst van mijn ambtgenoot aandringen. Oij zult wellicht meer invloed op hem hebben, vooral wanneer gij hem het gebeurde van dezen nacht verhaalt. Wat ik dan van uwe vriendschap verlang, is, dat gij met het aanbreken van den dag u op weg begeeft en mijn ambtgenoot overreedt, ten spoedigste herwaarts te komen."

„De Abt is mij to slim," dacht Trazamundus; maar, een diepe buiging makende, verklaarde hij zich bereid den hem opgedragen last te vervullen, en vertrok.

„Ik bewonder u, heer Abt!" zeide Forteman: „gij hebt een vernuftig middel gevonden, om den verrader te verwijderen."

„Hare het niet veiliger geweest, hem in boeien'te slaan?" vroeg Luitmar: „de Hemel weet, hoeveel kwaad hij nog gaat stoken."

Sluiten