is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerschzuchtigen vervoeren kan? Men wilde zelfs weten, dat hij Konstantinopel reeds verlaten had, om naar Sicilië te stevenen."

, t ls onwaarschijnlijk, — maar niet onmogelijk," zeide de Griek • ,maar waartoe mij deze vragen gedaan? Ben ik zijn bewaarder? Wat bekommer ik mi] over zijn gangen en voornemens? Ben ik verplicht rekenschap van zijn daden te geven?"

„Neen gewis niet," zeide de Abt, niet zonder eenigen kommer de wending bespeurende, die het gesprek begon te nemen: „maar gii moet mijn vriend verschoonen: hij heeft een last van den Koning die betrekking heeft tot den Prins van Lombardije."

„Het is zijn zaak dien ten uitvoer te brengen, zeide de Patriciër op een wreveligen toon: „hij zal toch niet vergen, dat ik er mii in moeie. J

„Neen!" antwoordde Forteman, die de vasthoudendheid van zijn landaard in ruime mate bezat: „maar dewijl het gerucht loopt dat de irrins reeds in Italië is aangeland, zou de mogelijkheid aanwezig zijn- dat iiij met u op hetzelfde vaartuig gekomen ware."

„Ik ben op mijn eigen vaartuig gekomen," zeide Niceforus, opeen hoogen toon: „en daarop bevond zich niemand, dan zij, die tot miin huishouding behooren. — Maar, al had hij mij vergezeld, denkt gii, dat ik de laagheid zoude hebben, zulks te bekennen aan hen, dia zijn ondergang zoeken? Dan genoeg over dit onderwerp! — Hoe aangenaam mij uw gezelschap ook zij, ik wensch aan Je schoone Amalazwinthe te worden voorgesteld, en haar de mededeelingen te doen, mij door den Hertog voor haar opgedragen. Ik ga zien, of zii bereid is, mij te ontvangen."

Met deze woorden rees hij op, groette den Abt beleefdelijk, boog zich koel voor Forteman en vertrok.

„Hij mag zeggen wat hij wil," zeide Forteman: „ik ben overtuigd, dat hn meer betreffende dien Adalgizus weet, dan hij ons verhalen wü. Niettegenstaande zijn hoogen toon en onverschillige houding scheen hij niet op zijn gemak gedurende mijn ondervragingen."

„Waarom zoudt gij iemand wantrouwen, die met zulke gunstige aanbevelingen van den Hertog komt?" vroeg de Abt: „desniettemin wil ik u bekennen, dat mij zijn bezoek op dit oogenblik hoogst ongelegen valt. Die Grieken zijn onbescheiden, en het gaat hun niet aan of Rome al dan niet in opschudding is: men moet met hen rondgaan en hun alles aantoonen: — en zij houden iemand uren achtereen op bij die oude beelden der Heidensche Godheden, tot men van hitte en verveling wegkwijnt. — Nu, — laat Amalazwinthe hem den weg wnzen. Zij is ook met die beuzelarijen ingenomen en kander"1 vertellen wat hij weten wil. Zij passen juist bij el-

lorteman antwoordde niet; maar de uitdrukking van zijn gelaat gat genoegzaam te kennen, dat hij niet volkomen in het gevoelen van den Abt kon deelen.

„Die Jood heeft zich braaf gekweten," vervolgde de Abt, zich de handen wrijvende: „de H. Vader begint merkelijk in beterschap toe te nemen: ik geloof zelfs dat hij de reis zou "kunnen aanvaarden-

B. W. VII. 4