Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Waant gij, na hetgeen gij eenmaal voor mij deedt, dat ik ooit dien naam zou kunnen vergeten?"

„Helaas!" zeide hij, langzaam het hoofd schuddende en op een droefgeestigen toon: „het is niet de toevallige dienst, die ik eenmaal het geluk had u te bewijzen, die mijn naam in uw geheugen terug moest roepen: er zijn andere oogenblikken in ons leven geweest oogenblikken van geluk en zaligheid, wier herd enken nimmer mijn boezem ontgaan zal, waaraan ik zou wenschen dat gij nog indachtig zijn mocht: — maar deze, ik zie het wel, zijn voor u als hadden zij nooit bestaan."

«Wat baat het u, Forteman?" vroeg zij: „droomen uit het verledeiie terug te roepen, welke toch nimmer kunnen verwezenlijkt worden? Gij weet te wel, wat de oorzaak was, dat ik aan de zoete hoop vaarwel moest zeggen, die ik eenmaal koesterde."

,Ik weet het," antwoordde de Fiies, met eenige bitterheid: „ik weet, dat de arme Forteman, die, buiten een minnend hart, mets bezit, dan zijn sober erfgoed en zijn zwaard, geen aanspraak mocht maken op de dochter van Kareis machtigsten vazal, op haar, die 111 weelde en grootheid opgevoed, verwant aan de edelste huizen van Luropa, de schitterendste uitzichten voeden kon: en gij deedt wél, uwen vader te gehoorzamen; want de tijd kon den afstand,die ons scheidde, nimmer dempen: en zoo ik thans wellicht meer invloed aan des Konings Hof bezit, ik ben in mijn land nog niet aanzienlijker geworden; want de belachelijke beschrijvingen van mijn vermogen, die Okko u gegeven heeft, weet gij zelve, dat verre van de waarheid verwijderd zijn: ener is geene woning in Rome, die de btate mijns vaders niet in pracht overtreft."

„Hoe! zeide Amalazwinthe, terwijl een hoog rood haar wanfren overdekte: „heeft Okko u verhaald? "

„Dat heeft hij: — en mag ik u bekennen, dat hetgeen hij zeide mij een oogenblik gelukkig maakte: dat ik een oogenblik de ijdelheid bezat van uwe vragen aan een overblijfsel van vroegere.... belangstelling toe te schrijven?"

„FortemanJ" zeide Amalazwinthe, na een poos gezwegen te hebben: „toen ik u op den Sint-Markusdag bij onze komst aan dit paleis herkende, toen vleide ik mij, dat gij een noodlottige liefde uit uw hart zoudt hebben verbannen; dat gij mij terugzaagt, zoo niet met een onverschilligen blik, althans zónder dat die ontmoeting u eenige aandoening veroorzaakte. Met leedwezen zie ik u terugkeeren tot een onderwerp, waarvan het beter ware niet meer te gewagen. Voegt het een braven krijgsman als u, zonder uitzicht, zonder zweem van hoop, een dwazen hartstocht te kweeken?"

„Die hoop, waar gij van spreekt," zeide Forteman: „zij is thans voor altijd bij mij vervlogen. Ik herhaal het, ik weet en besef, dat de Hertog van Ferrara schitterender uitzichten voor zijn dochter koesteren mag, dan die ik haar kan aanbieden: en hoe innig zijn oesluit mij griefde, ik zag in, dat het rechtvaardig was en dorst met morren; — maar wat de liefde betreft, die ik u eens heb ge'woren, zij spreekt nog even sterk in mijn boezem als voorheen, en

Sluiten