Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Welnu! men zal nimmer zeggen, dat liohemund de ondankbaarheid zooverre gedreven heeft, dat hij den man, die eens zijn dochter van den dood redde, van 't leven beroofd heeft. Dat hij'gevangen blijve: 't is mij wel! Hij heeft dit misschien verdiend door de laatdunkendheid, waarmede hij eenmaal zijn oogen tot Amalazwinthe verheffen dorst; maar zoolang hij zich in mijn macht bevindt, heeft hij mets voor zijn leven te vreezen."

„Ziedaar een edelmoedigheid, die ik verre was van te verwachten," zeide Adalgizus, „en die mij vrij ontijdig voorkomt. Gij zult misschien de erkentenis jegens dien Fries zooverre drijven om hem eerstdaags los te laten, hem zelfs aan uw dochter voor te stellen, aan hun tranen en smeekingen gehoor te geven en hen in een wettigen echt te doen verbinden. Ik herken Hertog Bohemund niet meer."

„En waarvoor dan hebt gij hem aangezien?" vroeg de Hertog, met drift: wweet, jongeling! dat Bohemund, indien hij geen beleediging ongewroken laat, ook geen weldaad vergeet: en na hetgeen ik voor u gedaan heb, kon ik niet verwachten, dat gij mij opnieuw beschuldigen zoudt, mijn u gegeven woord te willen verbreken. Denkt gij, dat een kerker niet reeds 9traf genoeg is voor den strijdzuchtigen Fries? — Maar zijn lot zal van Amalazwinthe afhangen: en hij zal zijn vrijheid niet eerder erlangen, dan op den dag, wanneer zij u haar hand zal schenken."

Dit zeggende, verwijderde hij zich en begaf zich naar de kamer zijner dochter.

„Jongeling!" herhaalde Adalgizus, zoodra hij zich alleen bevond: „en dat tegen mij? — Gij zult, wanneer ik eens de kroon zal dragen, een anderen toon tegen mij moeten aannemen, mijn waarde Hertog! of, bij de Goden! de naam van uw schoonzoon én de herinnering van uwe diensten zal mij niet beletten, een voorbeeld aan u te stellen."

De Hertog was intusschon het vertrek zijner dochter binnengetreden. In korte woorden gaf hij haar te kennen, dat het lot van Forteman in hare handen stond, en dat alleen haar spoedige onderwerping hem redden kon; daar Adalgizus binnen drie dagen in de Sint-Pieterskerk gekroond zoude worden, en alsdan meester zou zijn om den Fries, op wien hij met recht gebeten was, zijn haat op een noodlottige wijze te doen ondervinden.

XIII.

De mededeeling van den Hertog had zijn dochter met schrik en ontsteltenis vervuld. Het lot van Forteman hing dan van haar af! Maar zou hij zelf zijn leven of zijn bevrijding willen danken aan haar toestemming in een echt, dien zij verfoeide? Zou de dood hein

Sluiten