Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat reutelt die Scholier?" vroeg de leekebroeder: „voor den Satan! weg is hij. Ik wantrouw dien knaap, en zoo het op^een vechten aankomt, zal ik hem het eerst in den kraag pakken." ^ „Stil!" zeide een ander: „daar komen de Bisschoppen binnen. „Ja, voorwaar!" hernam de leekebroeder: „er zijn er wel sommi-

fen bij, die ik liever wenschte dat te huis waren gebleven; maar e meesten zullen toch wel ja en amen zeggen op al wat er voorgesteld wordt." .

„De zetels naast hot outer zullen wel ledig blijven, nietwaar r „Ja! — althans die van den Paus; maar die aan de rechterzijde niet: doch dat zal de verrassing wezen, die men der goede gemeente voorbereidt."

„Waartoe dient dat gaas achter het Pauselijk gestoelte daar, waar al die zitbanken zijn?"

„Voor de Gezanten des Khalifs en hun gevolg. t „De H. Maagd behoede ons! Zullen die ongeloovigen zoo dicht bij het gewijde zitten?"

„Waarom niet? De Khalif zal onze bondgenoot worden. Bovendien, dat gaas dient tot afsluiting. Zij zullen nu bloote toekijkers zijn, zonder aan de plechtigheid deel te nemen. Let op, daar gaat de zijdeur open. Zij komen hun plaatsen bezetten. De voorste is Izaak de Jood." # . ... ..

„Mij dunkt, zijn gevolg is wel driemaal zoo groot als net bij zijn intocht was." .

„Zij zullen onderweg gejongd hebben, zeide de leekebroeder, over zijn eigen geestigheid grinnikende: „zie — daar komt de dochter van den Hertog achter het Keizerlijke gestoelte zitten, in afwachting dat zij op den zetel zelf plaats neme. Zij zal de vrouw van den Augustus worden."

„En waar blijft de Augustus?" # t

„Die zal zien wel vertoonen als de tijd daar is. - Maar daar 19 <le held van het stuk, de Hertog van ierrara. — Stilte! Men gaat beginnen." .

De mis werd met de gewone plechtigheden aangevangen en gevierd; maar het was licht te bespeuren aan de weinige oplettendheid, welke aan den dienst geschonken werd, dat een andere gedachte de aanwezigen bezighield en dat ieder even vurig en nieuwsgierig naar het einde verlangde. Toen dat tijdstip daar was, heerschte er plotseling een doodsche stilte, gelijk aan die, welke men in de natuur oespeurt voor het uitbersten van den storm. Het was een ooeenbhk van plechtige, van bange verwachting; want een ieder gevoelde, uat het lot van Italië beslist ging worden. Nu rees Bohemund op, en, voor het outer tredende, wendde hij zich tot het volk en sprak met luider stem: . .

„Burgers van Rome! Een treurige maar heeft onze zielen met droefheid vervuld. Koning Karei is niet meer."

Alle aanwezigen luisterden met ingehouden adem en uitgestrekten hals; want men vreesde, één woord te verliezen. Hij vervolgde: „Ten einde de verwarring en de rampen te voorkomen, welke uit

Sluiten