is toegevoegd aan uw favorieten.

Wijsheid en schoonheid uit China

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgroote deel van het volk, weten vandaag niet of zij morgen te eten zullen hebben, maar morren niet bizonder, luisteren als kinderen naar vertelseltjes, steken bloemen in het haar en gaan neurieënd, met luchten stap!

En dan die sampan-roeiers voor het havenhoofd dicht bij mijn huis. Arme drommels, die dag aan dag tobben, meestal vechtend met zware golven en winden en daarmede, als het véél is, als maximum dertig cent verdienen, wat zagen zij er altijd vroolijk uit, en hoe lustig lachen zij! Hoe gezellig bakten zij samen hun vischje, ieder in zijn eigen schuitje en bereidden de natte rijst. Zij hadden geen huis dan hun broos schuitje — waar toch nog bloemen en plaatjes in waren, — zij werkten en sliepen daarin, en wisten niet beter of het hoorde zoo. En hoe mooi speelde er een de fluit, hoe puur en teer klonken die tonen over het water, 's avonds, als ik stond te luisteren in mijn tuin aan de zee. Meestal speelde hij een eentonige, droeve melodie, onder het zachte golfgeklots, in het vage licht van den nacht, een oud, oud volkslied, waar de ziel van schreit.

Somtijds heb ik wel zoo'n mensch willen zijn, eenvoudig en sterk, onwetend en onbewust, altijd levend op de zee, onder den hemel, de groote lucht indrinkend als een plant en zingend zonder te weten.