Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weid probeert vooruit te krijgen. De bezielde woorden van den dichter vloeiden van zelf, juist omdat zij bezield zijn. En, goed nagedacht, bestaan er in t geheel geen bepaalde vormen van gedicht eigen lijk, en in t geheel geen wetten, want een vers, vanzelf voortgevloeid uit de bron, gaat uit eigen kracht, en niet gehoorzamende aan een vooraf gestelde, menschelijke wet. De eenige wet is, dat er geen wet is. Gij zult dit misschien heel gewaagd vinden, jonge man, maar bedenk, dat ik van Tao uitga met mijn betoog, en niet van de menschen, en dat ik dan ook maar heel weinig ware dichters weet. Het is allerzeldzaamst, een mensch, die zoo zuiver en puurrein is als de natuur. Denkt gij dat er velen in uw land zijn ?"

Ik voelde mij vreemd te moede bij deze vraag, die ik met van den Wijze verwacht had, en ik begreep met, waarom hij dit wilde weten. Het antwoord leek mij zoo uiterst moeilijk, en ik begon daarom eerst met een andere vraag aan hèm: „Mijn oude Meester, ik kan het u niet zeggen, vóór ik nog meer van u mag hooren. Waarom maakt een dichter een gedicht ?"

Dit scheen hem te verbazen, want hij vroeg, alsof hij mij niet goed verstaan had:

„Waarom een dichter een gedicht maakt?"

Sluiten