is toegevoegd aan uw favorieten.

De sluier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

De kleine poes is in den nacht van Zaterdag op Zondag bevallen van 'n vierling. — „Heerechristus", zei Kee Stam, toen ze het weeke gebroed in 't mandje zag liggen, „al weer van die schijtlijsters in je huis, wat mot 'k 'r mee an". Het poesje — wel verre van er nu eindelijk eens onverschillig onder te worden, omdat al haar vorige jongen, op Piet na, verzopen zijn, van wien ze bovendien niets dan last ondervindt — verdiept zich volstrekt niet in reminiscenties en legt dezelfde zorg en dezelfde beminnelijkheid als na al hare vroegere bevallingen aan den dag. Piet is echter minder onverzettelijk in z'n goed geloof en neemt in 't minst geen notitie van de objectivaties zijner zonde, heel juist schijnende te snappen, dat ze toch maar voor 'n blauwen Maandag leven. Hij bewijst daarentegen te meer attenties aan de moeder zelve. Alleen de m a n i e r, waarop hij de sullige poes telkens tracht