Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Had dan getremd.

— Ikke niet, waarvoor ? 't is veels te mooi weer om te tremme ; zeg, hij kómt hoor, hij kómt, vanmiddag om half twee ; late we nou zorrege, dat Piet dan in de kamer is, want anders hebbe we maar moeite met 'm te pakke.

Ze puft neer op 'n stoel, blazend van benauwdheid.

— Komt-i heusch ? och heere, as daar maar zege op rust! en wat kost dat grappie ?" vraagt Bet, zich vooroverbuigend om de bloemkool in de teil te leggen.

— Mot je hoore ; die sallemander vroeg eerst 'n gulde, maar nou doet-i 't dan voor vijftig cent, as 'k ook de trem vergoed, nou vooruit, die twaalf en 'n halve cent zal 't 'm nie doen, ik wil veels te graag van dat gezanek af zijn ; 'n gulde ! lus je nog boontjes ?

— Ik heb altijd gehoord, dat je zoo iets alleen kan doen as ze nog jong zijn, jij niet ?

— Ja, ik ook, maar 'k heb 't behoorlek gevraagd ; meneer, zeg 'k, kan 'n kater van ommedebij 'n jaar nog gesneje worre, o ja, zee-die, met gemak, brengt u 'm maar! jawel, brenge ! ben je beduveld vent, zeg 'k, denk-i soms, da 'k met dat mormel in me zak na je toe kom, kom jij maar na mij, hoor ; nee, die is goed, wat denkt zoo'n kerel nou eindelek wel ? dat-i as 'n hondje achter je an zou loope ?

— Jij durft, hoor, je ben rezeluter as ik.

— Durreve ? waarvoor zou 'k bang zijn ? 'k ben voor de duvel niet bang, ik betaal 'r toch voor!

Sluiten