Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillig voor betoonde, met de verstandige opmerking, dat 't hun niets aanging. Na de koffie begaf Maurits zich weer te bed. En toen beving hem 'n heerlijke slaperigheid, waar de na-pijn geen vat op had. Zalig sluimerde hij in. En zeker zou hij den ganschen middag hebben doorgeslapen, als niet 't lawaai op de derde étage hem ontijdig gewekt had. Versuft, nog half in den doezel, lag hij naar de muitende geluiden te luisteren. Hij begreep niet wat 't zijn kon, dat vreemde gedraaf en gestommel op dit uur van den dag. En toen er later de oproerige stem van den sigarenmaker bij kwam, scherpte hij z'n gehoor, in prikkelende begeerte naar klaar begrip. En hij ving wel enkele vloeken op, na eerst nog, méénde hij, 'n andere mannestem te hebben gehoord, doch miste in de wirwar van stemmengeknars het allerflauwste verband. Dat treiterde hem; hij wilde weten wat er gaande was. Langzaam-voorzichtig scharrelbeende hij zich overeind, opende de deur aan n kier en riep narrig : „juffrouw!"

— Roept u meneer ?" vroeg de juffrouw.

— Ja.... wat gebeurt 'r toch bove ?

— Och," antwoordde de juffrouw lacherig, „de kater mot gesneje worde, maar dat malle stuk sociaal is r tege en daarom schept-i zoo op, 't heeft niks om t lijf, meneer.

Sluiten