Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Beschouwen wij thans het lachen uit anatomisch-physiologisch oogpunt. Bij het lachen verbreedt zich de mondspleet door het schuins naar achteren en naar hoven trekken der mondhoeken. Daardoor verslapt de spanning der wangen, waardoor er vertikale plooien en groeven in ontstaan, terwijl door het optrekken der bovenlip de bovenste rij tanden min of meer blootkomt. ') Doordat verder de wangen ietsnaar boven trekken, vernauwt zich de oogspleet en komt er dikwijls een zwakke plooivorming in de slaapstreek.

Van de spieren, die hierbij werkzaam zijn, heet er een de Musculus risorius, die het eerst werd beschreven door Santorini in 1724. Uit dien naam zou men allicht opmaken, dat die spier hier de meeste beteekenis heeft. Dit is echter niet het geval: treedt die spier alléén in werking, dan ontstaat slechts een lichte glimlach. Evenmin is het de Musculus orbicularis palpebralis inferior, hoewel die gewoonlijk mede een rol speelt. Als de lachspier bij uitnemendheid namelijk moet

1) Vandaar dat dames met een mooi gebit soms zooveel meer lachen dan andere.

5

Sluiten