Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs het meest vluchtige, is geen sterveling gegeven vóór zijn veertigsten levensdag.» Voor een deel trouwens is dit te wijten aan het feit, dat in de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu de voornaamste lachspier, de Musc. zygomaticus major, een dier spieren is, die zich het laatst differentieeren, zoodat het zeer jonge kind nog slechts kan lachen met de Musc. risorius en buceinator, hetgeen aan zijn lachen een minder uitgebeelden stempel verleent.

Hoe het zij, nevens tranen begint korten tijd na de geboorte ook de lach zich op het kindergelaat te vertoonen. Aanvankelijk nog slechts zuiver reflectief en opgewekt door de voldoening van egoïstische wenschen en begeerten, treedt later de lach ook op ten teeken van sympathische medevreugde met anderen en van altruïstische gevoelens. Meer en meer krijgt dan het lachen een hoogerstaand en meer geestelijk karakter; gelijk ook de tranen, aanvankelijk verwekt door lichamelijk lijden en persoonlijke teleurstelling, bij den volwassene meer en meer beperkt blijven tot moreele smart en zelfs nog meer gestort worden om het leed van anderen dan om eigen leed, vooral bij eenigszins geharde naturen.

Behalve van leeftijd, temperament en de overige zoo straks genoemde omstandigheden, is de neiging tot lachen ook bij hetzelfde individu zeer

Sluiten