Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze toestand — het was hem nu als had hij gedroomd al dien tijd: hoe had hij het anders eerst zoo laat kunnen merken — had geduurd tot voor vijf maanden: dat was in November geweest.

Op een zekeren dag was Joost plotseling weggebleven. Ze hadden zich eerst verwonderd, en gemeend . . . gehoopt, dat er iets bizonders was, dat hem verhinderde. Maar den derden dag hadden ze aan ziekte gedacht, en toen was hij gaan hooren. Joost lag te bed .. .: met het spit in den rug — zei hij. Den eersten tijd had hij dat geloofd en was hem eiken dag een poos gaan gezelschap houden . . .

Maar dat duurde, duurde . . . het werd een maand, twee maanden, drie maanden. Van een dokter wilde Joost niets weten: „Zoo'n pil-friko wil ik niet aan m'n lijf hebben ..." En terwijl ging in de stad het verhaal al-ruchtbaarder: dat van der Laar finantiëel öp was, schoön-op, dat hij — bang voor de gijzeling — zich niet op straat dorst vertoonen, en zich door Leen Eringaard liet onderhouden . . . Toen had hij zekerheid willen hebben, en hij had het Joost op den-man-af gevraagd. Eerst ontkende-n-ie, maar toen hij gedreigd had een dokter erbij te roepen, toen was het hooge woord er uit gekomen: ja . . . hij bezat geen cent meer, had minus zooveel: overal sciiuld. Hij dorst niet meer te gaan eten in het restaurant in de stad, dorst niet meer buitenshuis te komen zelfs. . . Gehuild als 'n kind had-ie, toen hij 'm een beetje streng

Sluiten