Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze dien vreemden kop bestudeerd. Ze kénde dat tanige, zonverbrande gezicht door en door met de wilde, vèrachterover gestreken haren, grijzend-donker-bruin, en met het als-saamgenepen-smalle, terugwijkende voorhoofd. De congestieuze wangen vielen slap langs de scherpbelijnde kaken; fel nog, en als altijd spottend, schitterden zijn kleine, groene oogen, waaronder de huid in lebben was uitgezakt. Stug, verkleurd door overmatig gebruik van cosmetique, stond zijn lange, dunne knevel in de al-oude golving: de punten hoog opgekruld. Scherp hoog rondden zich de grijze wenkbrauwen, die hij voortdurend onrustig bewoog onder het praten . .. Vroeger al - wanneer hij heftig sprak, en zijn geheele gezicht in actie was — had het haar meermalen toegeschenen, als openbaarde zich in zijn trekken al een toekomstige krankzinnigheid, en had ze soms gevreesd, dat ze die als-bestendig-vliedende haren op een oogenblik werkelijk zou zien weg ijlen, met zich nemend ai zijn bezinning : waarbij zijn holle hoonlach op eens zou overslaan in een schel, waanzinnig schateren.

Maar nu had Joost voor haar niets beangstigends met zijn tenger-beenigen kop, als verteerd door te heftig leven. En zooals hij daar zat uitgezakt in den lagen stoel, het éene been slap geknakt over het andere, de magere hand, die nu en dan de sigaar hield, licht gesteund op den tafelrand, een groote zegelring aan éen der welverzorgde vingers .. .: een „heer" in zijn keurig zwart-lakensch pak en stijf wit

Sluiten