Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Zes maanden waren voorbijgegaan. De dagen kortten merkbaar: als kromp alle leven vreezend samen voor den barren winter, die snel aandreef, zich toonend al in dreigend-donkere luchten.

Den geheelen zomer was Henny sukkelend gebleven: telkens openbaarde zich zijn zwakte in een andere ongesteldheid. Voor Nelly was het een bijna-onafgebroken tobben en sjouwen geweest: een met-uiterstverfijnden-zorg weeren van gevaren, een voortdurend, vruchteloos kweeken van krachtin hetinnerlijk-zwakke lichaampje. De lange, snikheete zomerdagen had ze meest alleen doorgebracht op de muffe ziekenkamer, snakkend naar rustig-buiten-zijn, gedrukt als ze was door een aanhoudende afgematheid. Andere jaren na den moeizamen winter waren ze gewoonlijk éen van de zomer maanden naar éen of andere badplaats, of een gezonde streek ergens in Gelderland gegaan; de vele beweging, de frissche lucht, waarvan ze daar als doortrokken werd, sterkten haar dan weer op, zoodat ze vol moed den zorgelijken winter-tijd weer inging.... Nu zag ze tegen dien winter op, als een uitgeputte tegen den weg, dien hij steeds eindeloos voor zich ziet.

7

Sluiten