is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En Ingeborg," vroeg hij na een oogenblikje schuw, „wilde zij?"

„Nou, dat was maar zóó zóó. Ik geloof, dat zij zelf niet goed wist wat zij wilde. De oude heer zag in Wirén zijn ideaal voor Ingeborg. Een man, die zich een weg kon banen en die van haar hield. En dat was alles wat zij voor haar geluk noodig had, beweerde hij. En een bekwame kerel, die zich een eigen weg kan banen, is hij zeker. Met een mes en een stuk hout of een koperdraadje zou hij zich heel aardig op een onbewoond eiland thuis weten te maken. En op haar verliefd geweest is hij sinds dat hij praten kon, maar een verduivelde opgeblazen kalkoen is hij ook...."

En toen Daniël niets zei, maar stom als te voren bleef zitten staren, ging hij door:

„Om je de waarheid te zeggen, geloof ik, dat Ingeborg er eigenlijk wel af had gewild zoo langzamerhand — ik geloof zelfs dat ze niet heel ongevoelig was voor jou charmes ...

Daniël schrikte op.

— „Maar, je begrijpt dat daar toch nooit iets van had kunnen komen, zoolang vader leefde, want als hij geweten had, dat zijn dochter verliefd zou worden op een Fennomaan, dan was hij gewoon krankzinnig geworden. En nu kwam er bij „die laatste wensch" en die belofte, „gedaan op het doodsbed" en al die andere verdomde sentimentaliteit, die de menschen alleen maar ongelukkig maakt."

„Ik dacht dat de tijd voorbij was, dat de vaders hun dochters konden dwingen om te trouwen...."

„Dwang was het nu juist niet, maar het was de wensch